De Moordrechtse IJsselsteen
Steenplaats De IJsselvrucht
Een Moordrechtse Steenfabriek wordt al in 1494 genoemd in de belastingsenquete van dat jaar. Zij leverde o.a. de stenen voor de bouw van het kasteel in Wouw bij Bergen op Zoom. We komen ze opnieuw tegen in 1619 in de moordrechtse archieven, de eigenaar is dan Leendert Heijndricx. Gedurende de gehele achtiende eeuw bestand de steenindustrie in Moordrecht, in 1903 verdween ze. In 1854 bestonden er 28 steenfabrieken langs de Hollandse IJssel Tussen 1853 en 1875 werkten gemiddeld 36 arbeidskrachten op de steenplaats van W.IJsserman. Dhr W.IJsserman is overleden in 1856 op 76-jarige leeftijd. Zijn erfgenamen (vrouw en dochter) deden de steenfabriek "IJsselvrucht" over aan Johannes Drost Az, hij was getrouwt met M.M.C. IJsserman (de dochter). Tot zijn dood in 1871 exploiteerde hij de steenbakkerij, ( daarna Frederik Smits (steenfabrikant) (22 jaar) en daarna kwam ze in handen van J.J. de Lange en niet lang daarna in handen van François van Lange, hij was de laatste steenfabrikant in Moordrecht tot de fabriek in 1903 gesloten werd. Grondstof Klei Er werd klei of slib uit de IJssel gebaggerd. Door de getijbeweging kwam immers steeds weer slib tot bezinking, zodat men over een onuitputtelijke gronstofvoorraad beschikken kon. Een arbeider die in een bootje stond, baggerde het slik op met een lange stok, waar onderaan een zak vastgemaakt was, terwijl voor de opening van de zak een mes was bevestigd. Bij het voorttrekken van deze stok over de rivierbodem, sneed het mes de sliklagen af, die dan in de zak vielen. Als deze vol was werd hij in het bootje geledigd. Zolang er geen ijsvorming optrad konden de arbeiders slib blijven baggeren. Voordat het verzamelde slib in de steenfabriek verwerkt werd, liet men het een tijd rotten in zogenaamde "zellingen", dit waren kleine inhammen die men slechts aan één kant kon binnenvaren. Daar bleef het rijpen tot het voorjaar.
De steen vormen
Het maken of vormen van de steen was nog geheel handwerk. Dit wil niet zeggen dat elke steen als het ware apart met de hand werd geboetseerd, maar dat een arbeider een kluit klei wierp in een vormbak ter grootte van één steen. Als hij de nodige vaardigheid bezat kon hij met één slag de vormbak geheel vullen. De buitenkant van zo'n steen was dan wat onregelmatig gevormd. Als zulke stenen gebruikt werden voor het opmetselen van een muur, had dat onregelmatig oppervlak een mooie werkin
Drogen
Vervolgens werden de stenen door de wind en de zon gedroogd. Dit geschiedde in lange schuren. die alleen bestonden uit een dak, waaronder een aantal rekken was aangebracht, dat dien voor opslag en drogen der vormelingen. Al naar de weersgesteldheid duurde dit proces 10 tot 20 dagen. Te snel moesten de stenen niet drogen, want dan ontstonden er afwijkingen bij het bakken. Als het hard woei droogden de stenen aan één kant veel sneller dan aan de andere zijden. Het produkt ging dan scheuren. Ook felle zonneschijn droogde de stenen aan één kant uit, maar vorst was helemaal fataal, de stenen vroren dan stuk. Rietmatten zorgden voor bescherming tegen zon, wind en regen.

Mannen, Vrouwen en Kinderen
De ouderwetse produktiemethoden konden slechts worden toegepast, als de fabrikant vele arbeidskrachten in dienst had. Vrouwen en kinderen van de manlijke arbeiders hielpen mee.Vrouwen moesten de stenen "opzetten" of "opsnijden" om ze op deze wijze te laten drogen, ook het plaatsen van de rietmatten gebeurde door de vrouwen. Het kruien van de stenen in de oven en de turf "tonnen" en stapelen was vaak ook vrouwenwerk. De werknemers waren meestal in ploegen verdeeld, van 10 personen elk. De "vormer", een man, die dagelijks bij goed weer 12.000 tot 15.000 stenen vormde, stond aan het hoofd van zo'n ploeg. Het transport op de steenplaats geschiede door mannen met kruiwagens. De drogende stenen moesten herhaaldelijk gekeerd worden, dit was het werk van de kinderen.





