Veenderij in de omgeving van Moordrecht
Hoe werkten de mensen in 't veen.
BRANDSTOF UIT WATER
Brandstoftekort Tot en met de dertiende eeuw gebruikte iedereen in de Nederlanden hout als brandstof. Vanaf de veertiende eeuw ontstond er echter langzaam maar zeker een tekort aan brandhout. In Holland was dat vooral een gevolg van de ontbossing van het moerasgebied. Na de grote brand in Gouda (1361) ging de ontbossing in onze omgeving zelfs nog sneller omdat er voor de herbouw van de stad veel hout nodig was.
Turfsteken Ruim een eeuw later begon de opbloei van de bedrijvigheid in de steden, zoals de pijpenmakerijen, de aardewerkfabriekjes, de bierbrouwerijen en de blekerijen in Gouda, allemaal bedrijfjes die veel brandstof nodig hadden. In eerste instantie kwam die brandstof in de vorm van turf uit het oosten van de Nederlanden. In de hoogveengebieden zoals in Drente was darinc-delven oftewel turfsteken uit de oppervlakte al vanaf de tiende eeuw bekend en in gebruik.
Wat is veen eigenlijk? Zowel hoogveen als laagveen is veen. Veen is een grondsoort die bestaat uit niet geheel vergane plantenresten. Voor het vergaan van planten, het verrottingsproces, is zuurstof nodig. Bij gebrek aan zuurstof verrotten de planten niet geheel. De restanten vormen dikke lagen en dit noemt men veen. Het veen ontstaat dus als de plantenresten van zuurstof afgesloten zijn door een overmaat aan water. Als het veen zich vormt met behulp van grondwater, dan noemt men dit laagveen. Wordt het veen gevormd d.m.v. regenwater dan is dit hoogveen. De winning is dan ook in beide gevallen zeer verschillend. Bij laagveen wordt het veen onder het wateroppervlak vandaan gehaald en bij hoogveen wordt het afgegraven. Laagveen vindt u in b.v. noord/west Utrecht en Friesland op de lage delen van Noord- en ZuidHolland. Hoogveen vindt u in b.v. Drente en Noord Brabant op de hogere delen van Nederland.
Het alternatief: natte vervening Door het toenemende gebruik van turf in heel ons land werd het steeds moeilijker om voldoende turf in Holland te krijgen. Zo gingen de Hollanders op zoek naar alternatieven. In het Hollandse laagveengebied lag het veen dat geschikt is om turf van te maken onbereikbaar en dus onbruikbaar onder het grondwaterniveau. Rond 1530 vonden de Hollanders echter een methode uit om het veen boven water te krijgen en te verwerken tot turf, natte vervening of slagturven genoemd. Het was zwaar handwerk, waarmee vaak hele gezinnen hun brood verdienden. Al gauw bleek het gebied tussen Rotterdam en Gouda zeer geschikt voor de natte vervening.
Van bagger tot brandstof Op aanwijzing van de ’veenbaas’ (de landeigenaar) groef de ’baggerman’ aan de rand van een sloot de bovenlaag zwarte aarde weg tot onder het waterniveau. Langs de ontstane inham legde hij een open boot, met een brede plank naar de vaste wal. Staande op de plank haalde hij met een net aan een ijzeren, ovaal gevormde ring, de ’baggerbeugel’, brokken veen naar boven. De lange stok aan de beugel diende tevens als hefboom om het zware veen boven water in de boot te kunnen werpen. Een tweede baggerman stond in de boot. Met een hoosschop schepte hij water erbij om het geheel te mengen tot een egale baggermassa. Een viertandige hark aan een korte steel, de ’mengklauw’, hielp hem erbij en maakte het hem meteen mogelijk ongerechtigheden als hout en zoetwaterschelpen eruit te halen. Tenslotte hoosde hij de baggerbrij op het land.


Nadat de bagger een nacht over was ingezakt en opgedroogd kwamen de treders, vaak vrouwen en kinderen. Met plankjes onder hun schoeisel, de ’treeborden’, liepen ze zijdelings over de baggerstaal waarbij ze hun evenwicht bewaarden met ’treekrukken’, stokken waaronder ook een dwarsplankje zat. Deze bewerking herhaalden ze nog twee keer. Drie dagen later kwam de turfmaker. Met een brede hark met acht tanden, de ’turfklauw’, trok hij, lopend op treeborden, lijnen in de baggerstaal en sneed met een ’stikgraaf’, een smalle, naar onderen toe breder uitlopende, platte spa aan een korte steel, blokken ter breedte van de turfklauw. Na anderhalve week kwam hij terug en sneed volgens de nog zichtbare lijnen de blokken tot turven, 64 in een blok. Zon en wind moesten nu verder de turven drogen. Opnieuw kwamen de vrouwen eraan te pas. Ze braken de turven op en stapelden ze om teneinde ze aan alle kanten volledig te laten drogen, op een ondergrond van gedroogd riet en ruig gras tegen optrekkend grondvocht. Na acht tot tien weken waren de turven droog en werden ze opgestapeld in een ovale hoop, de ’steupel’, afgedekt met riet, gras en plaggen om natregenen te voorkomen. Per turfschip gingen de turven naar de steden, waar ze verkocht werden aan de bedrijven daar.



